Auteursarchief: Energiefabriek 013

Verduurzamen van een vooroorlogse woning: wat is er mogelijk?

Bron: Vakblad Warmtepompen, 18 oktober 2019https://www.vakbladwarmtepompen.nl/sector/artikel/2019/10/verduurzamen-van-een-vooroorlogse-woning-wat-is-er-mogelijk-1015262

Geen enkele architectuurstijl kan qua populariteit tippen aan de stijl van de jaren 20 en 30. De glas-in-loodramen, hoge vertrekken, baksteenarchitectuur en statige uitstraling spreken een breed publiek aan. Het zijn woningen die we willen behouden, maar tegelijk is het een zware klus om ze geschikt te maken voor de toepassing van een warmtepomp met laagtemperatuur-verwarming. Dat is althans de mening van Hubert-Jan Busch, passiefhuisspecialist bij Sto. In dit artikel analyseert hij de mogelijkheden voor verduurzaming van dit type woningen.

Rc-waarde van de gevel

“Misschien moet je je afvragen of bij dit soort huizen een warmtepomp überhaupt wenselijk is”, begint Busch. “Pas in 1960 werden in het Bouwbesluit spouwmuren als verplichting opgenomen. Dat betekent dat er voor die tijd ook veel steensmuren zijn opgetrokken. En zelfs als er een spouwmuur aanwezig is, dan bedraagt de Rc-waarde van de gevel meestal minder dan 1 (m²K/W).” Om effectief te verwarmen met lage temperaturen, is een minimale Rc-waarde van 3,5 voor zowel de gevel als het dak wenselijk. “Dat is bij veel vooroorlogse woningen niet haalbaar, de investering is dan buitenproportioneel groot”, vertelt Busch.

‘Grote winst door isoleren’

“Bovendien rijst de vraag of je van een Traction Avant wel een Tesla wilt maken”, vervolgt hij. “Technisch kan er veel, door de woningen te voorzien van een nieuw dak en buiten-gevelisolatie. Maar vaak zijn deze huizen een beschermde stads- of dorpsgezicht, waardoor van binnenuit isoleren de enige mogelijkheid is.” Betekent dat ook dat bewoners isoleren beter achterwege kunnen laten? “Nee, geenszins. Ik denk juist dat hier grote winst is te halen door te isoleren. En dan doel ik niet alleen winst op de energierekening, ook het comfort wordt beter.”

Warmteverlies bij het dak

Bij het isoleren van woningen kijkt Busch eerst naar boven. “Bij het dak treedt het meeste warmteverlies op. Veertig procent van het transmissieverlies (warmteverlies dat optreedt door een temperatuurverschil aan beide kanten van de constructie, -red.) gaat via het dak. Dit komt omdat warmte stijgt. De gevel verliest ondanks het grotere oppervlak minder warmte, dat is ongeveer dertig procent. Daarom raad ik altijd aan om eerst naar het dak te kijken.”

Van binnenuit isoleren

In de jaren 20 en 30 werd geen dakisolatie toegepast, en iedere vorm van isolatie is dus winst. “Door van binnenuit te isoleren is, mits de vliering/zolder minimaal stahoogte heeft, een Rc-waarde van 3,5 haalbaar. Door daarnaast de vloer tussen de slaapverdieping en de zolder mee te nemen, voorkom je bovendien extra warmtelekken. Waar ik echter wel op wil wijzen, is dat je op de kierdichting moet letten. Als er sneeuw ligt, ziet iedereen precies waar ik op doel; er ontstaat dan een raster op het dak. Daardoor is goed zichtbaar waar de warmte ontsnapt, dat is meestal naast de balken.” Een ander punt van aandacht bij het isoleren van de zolder is de ventilatie, stelt Busch. “Om condensvorming te voorkomen, moet de zolder, al is hij niet gedefinieerd als verblijfsruimte in het Bouwbesluit, worden geventileerd.”

Beperkte winst via spouwmuur

Om in de gevel eenzelfde Rc-waarde (3,5 m2K/W) te halen, is lastiger. “Als er een spouw is, biedt dat mogelijkheden.” Er is een handige methode om erachter te komen of dat het geval is. Is de dikte van de muur bij de deuropening dikker dan 25 cm, dan is er meestal een spouw aanwezig. Bij minder dan 25 cm is er geen spouw of hij is zo dun dat spouwmuurisolatie geen zin heeft. “Daarnaast behaal je met spouwmuurisolatie slechts beperkte winst”, legt Busch uit. “In de spouw zijn vaak spouwankers, cementresten, spinnenwebben en andere zaken aanwezig. Dat betekent dat er (warmte)lekkage optreedt.”

 ‘Buitengevel-isolatie het meest effectief’

Een andere optie is om te kiezen voor binnenmuurisolatie, stelt Busch. “En dan bij voorkeur met gebruik van harde materialen (pir/pur/resol) omdat de isolatiewaarden hiervan groter zijn dan van wolachtigen.” Ook hier zitten echter beperkingen aan. Een nadeel is dat het altijd ten koste gaat van de binnenruimte. Als bewoners de wens hebben om op lage temperaturen hun huis te verwarmen, moeten dikke pakken isolatiemateriaal worden aangebracht. Buitengevelisolatie is het meest effectief, maar het is de vraag of de welstandstandcommissie daar toestemming voor geeft.

Opties voor glas en kozijnen

Voor het glas en de kozijnen zijn tegenwoordig mooie oplossingen op de markt: glas-in-lood in dubbelglas, dubbelglas met monumentenglas, en thermisch onderbroken kozijnen in staal, aluminium en hout. “Als de kozijnen sterk genoeg zijn, is het bovendien redelijk eenvoudig om enkelglas te vervangen door HR++-glas”, aldus Busch.

Vloerisolatie aan de onderzijde

Tot slot is de vloer een punt van aandacht, zelfs al bedraagt het warmteverlies via de vloer slechts 6 tot 8 procent. “Als er een kruipruimte aanwezig is, is isolatie aan de onderzijde aan te raden. Mede omdat de vloer behoorlijk verhoogd wordt door op de dekvloer een isolatielaag en vloerverwarming aan te leggen. Daarbij kom je in de knel met de deurhoogtes. Bovendien willen de meeste bewoners de mooie authentieke granieten vloer blijven zien. Om die iets comfortabeler aan te laten voelen, is het isoleren van de kruipruimte de enige optie.”

Tekst: Katja van Roosmalen

Mogelijkheden voor een warmtepomp in woningen uit de periode 1960 – 1990

Bron: Vakblad Warmtepompen, 30 oktober 2019 https://www.vakbladwarmtepompen.nl/techniek/artikel/2019/10/mogelijkheden-voor-een-warmtepomp-in-woningen-uit-de-periode-1960-1990-1015267?vakmedianet-approve-cookies=1&_ga=2.124789642.1604648719.1575031349-600415868.1575031349

Ruim een derde van de Nederlandse woningen is gebouwd in de jaren 60 en 70, en bijna 30 procent in de jaren 80 en 90. Daarmee vertegenwoordigen deze huizen meer dan de helft van de huidige woningvoorraad. Kenmerkend voor woningen die tussen de jaren 60 en 90 zijn gebouwd, is dat ze zijn ontwikkeld vanuit een ‘wijkgedachte’. Dat verklaart het repeterende karakter, zowel qua uiterlijk als indeling. Die ‘herhaling’ biedt goede mogelijkheden om deze woningen grootschalig te verduurzamen. Vooral bij woningbouwcorporaties gebeurt dat nu, en wel in rap tempo, aldus Busch.

Bijgestelde minimumeis isolatie

“Sinds 1960 staat in het Bouwbesluit dat woningen een spouw moeten hebben”, legt Busch uit. “Maar dat betekent niet dat de isolatiewaarden erg hoog zijn. Om een idee te geven: in 1965 bedroeg de minimumisolatie-eis voor het dak Rc 0,86 m²K/W, voor de gevel Rc 0,43 en voor de vloer 0,17. Langzaam werden deze eisen strenger. In 1982 was de minimumeis voor het dak, de gevel en de vloer Rc 1,3. Maar pas in 1992 werd de eis fors bijgesteld, naar Rc 2,5.” Dat betekent volgens Busch dat voor woningen die in de jaren 60, 70 en 80 zijn gebouwd spouwmuurisolatie alleen niet genoeg is om de gewenste Rc-waarde van 3,5 te halen. “Door de spouwdikte is de Rc-winst die behaald kan worden met spouwmuurisolatie minimaal. ISSO heeft berekend dat als op dit moment een lege spouw gevuld wordt met 60 of 70 mm Airpop, Rc 1,86 de maximaal haalbare waarde voor de gevel is. Daarnaast moet je ook bij deze woningen goed op de kierdichting letten.”

 ‘Rc-waarden zijn niet heilig’

Dat laatste is de reden waarom woningbouwcorporaties vaak liever voor een volledige schilrenovatie kiezen waarbij ze de isolatiewaarden aanhouden van het huidige Bouwbesluit: voor de gevel Rc 4,5 en voor daken Rc 6,0. “Daar wil ik echter wel een kanttekening bij plaatsen”, zegt Busch. “Rc-waarden zijn niet heilig. Ik denk dat een woning met een Rc-waarde van 3 voor de gevel en een Rc-waarde van 3,5 voor het dak, aangevuld met balansventilatie, beter is voor de efficiency van een warmtepomp, dan een woning die voldoet aan de huidige nieuwbouweisen maar is uitgerust met mechanische ventilatie (systeem C, -red.) waardoor alle isolatiemaatregelen teniet worden gedaan door de gaten in de gevel.”

Van boven naar beneden

Ook voor woningen uit de jaren 60, 70 en 80 geldt dat bij het verduurzamen van boven naar beneden wordt gekeken, omdat via het dak de meeste warmte verloren gaat (40 procent transmissieverlies). “De eerste stap is om het dak te vervangen door een dak met een Rc-waarde van 6,0.” Een punt van aandacht is daarbij dat rekening moet worden gehouden met de welstandscommissie. Niet alleen zal de gemeente een mening hebben over de hogere nok. Als maar één woning in een rij een nieuw dak krijgt, kan de eigenaar ervan dat zien als de kers op de taart, maar veel buren zullen het een dissonant vinden. Hou daarnaast rekening met grotere overstekken en de nieuwe aansluitingen op de gevel, zodat later eventueel buitengevelisolatie kan worden aangebracht.”

Isolatie van de buitengevel

Voor die gevel geldt dat vaak al maatregelen zijn getroffen. Ook in de jaren 90 was spouwmuurisolatie namelijk populair. “Het voordeel is dat daardoor de buitenmuurisolatie niet zo dik hoeft te zijn. Je mag de isolatiewaarden namelijk bij elkaar optellen”, legt Busch uit. Daarnaast merkt hij dat welstandscommissies meestal welwillend staan tegenover buitengevelisolatie. “De repeterende woningbouw heet in de volksmond ‘eenheidsworst’, en veel wijken snakken naar meer identiteit. De gevel aan de buitenzijde isoleren biedt technische kansen, bijvoorbeeld om een warmtepomp te plaatsen, maar het maakt het ook mogelijk de wijk een nieuw straatbeeld te geven en van een sociale facelift te voorzien.”

Spijtvrije oplossingen?

Tegenwoordig wordt veel gesproken over ‘no-regretmaatregelen’ en ‘spijtvrije oplossingen’. De vraag aan Busch is wat hij ziet als de meest effectieve manieren om woningen te verduurzamen. “Voor mij is de Trias Energetica leidend. Stap één is het beperken van het energieverbruik. Dat doe je door primair de schil aan te pakken, dus dakisolatie, (buiten)gevelisolatie en glas, in combinatie met kierdichting. Bovendien werkt die aanpak comfortverhogend. Houd daarbij ook rekening met de ventilatie. Balansventilatie of een decentrale ventilatie-unit met WTW zijn de beste oplossingen. Ook vloerverwarming zie ik als een spijtvrije oplossing, omdat het zowel met een modulerende CV-ketel als met een warmtepomp kan functioneren.”

Isolatie bij vloerverwarming

Een punt om rekening mee te houden bij vloerverwarming is de isolatie, die bij droge opbouwsystemen vaak minimaal 10 centimeter bedraagt. “Ik ben een fervent voorstander van vloerverwarming, maar besef wel dat de installatie ervan in bestaande bouw best een aardige operatie kan zijn. Een mogelijke overweging is om te kiezen voor andere LTV-afgiftesystemen, in combinatie met decentrale ventilatieoplossingen of decentrale warmtepompen met ventilatie.”

Kosten en subsidies

Omdat de grootste uitdaging de komende jaren zal zijn om particulieren aan te sporen hun huis te verduurzamen, vragen we Busch naar de kosten om een twee-onder-een-kapwoning van tussen 1960 en 1990 energetisch toekomstbestendig te maken. “Die kosten zijn moeilijk aan te geven in de huidige markt, omdat grondstoffen en arbeid snel in prijs stijgen. Ruwweg schat ik in dat het toekomstbestendig isoleren van een twee-onder-een-kap tussen de 30.000 en 40.000 euro kost. Dat is inclusief buitengevelisolatie, nieuw glas, en kozijnen en een vernieuwd dak. De kosten voor het ventilatiesysteem en de warmtepomp moeten hier nog bij worden opgeteld.”
Wie hiervoor kiest, kan echter wel gebruikmaken van een subsidieregeling. Voor buitengevelisolatie bedraagt de tegemoetkoming 25 euro per m². Voor zaken als HR++, triple glas, advies en andere maatregelen kunnen particulieren vanaf 2 september 2019 gebruikmaken van de subsidieregeling energiebesparing eigen huis (SEEH).

Tekst: Katja van Roosmalen

Monitor Duurzaamheid: zonnepanelen populairste duurzaamheidsmaatregel bij woningeigenaren

Bron: Solar Magazine, 18 oktober 2019 https://solarmagazine.nl/nieuws-zonne-energie/i19690/monitor-duurzaamheid-zonnepanelen-populairste-duurzaamheidsmaatregel-bij-woningeigenaren

Zonnepanelen staan met stip bovenaan de lijst van populairste duurzaamheidsmaatregelen die eigenaren van woningen treffen. Dat blijkt uit de derde editie van de Monitor Duurzaamheid van ABN AMRO.

De Monitor Duurzaamheid – waarvan nu de derde editie is verschenen – wordt door ABN Amro elk kwartaal in samenwerking met PanelWizard gemaakt. Onder ruim 1.000 Nederlanders wordt daartoe een enquête uitgezet. De monitor meet de mate waarin de Nederlander duurzaamheid onderdeel van zijn leven maakt en heeft als doel om vast te stellen wat nodig is om bij de consument veranderingen teweeg te brengen. Bij de vorige editie kwam uit de monitor nog naar voren dat 26 procent van de consumenten geen zonnepanelen wil.

Uit de derde, nieuwste editie komt naar voren dat 41,5 procent van de woningeigenaren in de afgelopen 3 jaar zonnepanelen heeft geplaatst op zijn woning. Na zonnepanelen zijn het plaatsen van een nieuwe HR-combiketel (41,1 procent) en het plaatsen van isolerend glas in de woonkamer (40,5 procent) en slaapkamers (35,4 procent) de populairste maatregelen. Het plaatsen van een warmtepomp (4,1 procent) en zonneboiler (2,8) zijn terug te vinden op plaats 10 en 11.

Verlichting uit en vervangen
Het uitzetten van verlichting in de ruimten waar niemand aanwezig is, is de meeste populaire energiebesparende maatregel. 96,2 procent van de Nederlanders neemt deze maatregel; 80 procent doet dit al volop en 16,2 procent doet dit al enigszins.

Het vervangen van gloeilampen door spaar- en led-lampen is na het lager zetten van de verwarming de maatregel die de top 3 completeert. 67,8 procent vervangt al volop gloeilampen en 24,4 procent doet dit enigszins.

Huizenbezitters voelen massaal drempel
Overigens komt uit de monitor naar voren dat 97 procent van de huizenbezitters een drempel voelt om hun woning te verduurzamen. Onduidelijkheid vanuit de overheid speelt hierbij een grote rol. Zo blijkt dat slechts 5,9 procent een helder beeld heeft van het Klimaatakkoord en bijna driekwart behoefte heeft aan meer informatie over de gevolgen die dit voor hen heeft.

Door Marco de Jonge Baas 

Minister maant leveranciers van stadswarmte tarieven te verlagen of te investeren

Bron: Het Financieele Dagblad, 8 oktober 2019 https://fd.nl/economie-politiek/1319593/minister-maant-leveranciers-van-stadswarmte-tarieven-te-verlagen-of-te-investeren

Leveranciers van stadswarmte moeten volgend jaar hun tarieven laag houden of investeren in nieuwe warmtenetten. Dat schrijft minister Eric Wiebes van Economische Zaken aan grote warmteleveranciers. De reden is dat zij in 2018 meer winst maakten dan toegestaan.

Uit nieuwe cijfers van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) blijkt dat grote warmteleveranciers dat jaar gemiddeld een hogere winst hebben gehaald dan deze toezichthouder redelijk vindt. Het gaat om een gemiddeld rendement van 7,1%, terwijl 6,6% de bovengrens is. De omzet van de warmtesector kwam vorig jaar uit op €658 mln.

Minister Wiebes heeft daarom verschillende warmtebedrijven op de vingers getikt, zo bevestigt het ministerie tegenover Energeia, de aan Het Financieele Dagblad gelieerde energienieuwssite. Nuon, Eneco en Ennatuurlijk, de grootste drie warmteleveranciers in Nederland, bevestigen de brief te hebben ontvangen. Het is de eerste keer dat de minister de sector hierover aanspreekt.

Heikel punt

In Nederland gebruiken ongeveer 400.000 huishoudens geen aardgas maar stadswarmte. Het kabinet heeft besloten huizen van het gas af te halen, waardoor het aantal aansluitingen op warmtenetten zal stijgen. Het tarief is een heikel punt mede omdat het warmtetarief tot nu toe meestijgt met de gasprijs. Coalitiepartij D66 riep eerder al op tot het bevriezen van de warmtetarieven voor 2020, omdat afnemers van duurzame warmte niet geconfronteerd hoeven te worden met de prijsstijging van aardgas.

Wiebes geeft met zijn brief een waarschuwing af, maar kan zo’n bevriezing wettelijk niet afdwingen. Wel kan de minister ingrijpen als de sector te hoge winsten blijft maken, zo staat in de Warmtewet. Ook de minister wil af van de gasprijskoppeling, maar zoekt nog naar alternatieven om de warmteprijs op te baseren.

Monopolie

Nagenoeg alle warmtebedrijven in Nederland hebben monopolie op hun leveringsgebied. Klanten kunnen niet overstappen van leverancier, zoals bij gas en elektriciteit. De consument wordt beschermd via de Warmtewet; de ACM houdt toezicht. Ieder jaar bepaalt de autoriteit het maximumtarief dat warmteleveranciers mogen vragen. Daarnaast mag de sector een zogeheten redelijk rendement op geïnvesteerd vermogen halen, dat ligt voor 2018 tussen 5,2% en 6,6%. De ACM kijkt eens in de twee jaar of de sector daaraan voldoet.

Het is de eerste keer dat de sector sinds de invoering van de Warmtewet in 2014 een te hoge winst haalt. Wel zijn er grote verschillen tussen grote en kleine warmtebedrijven. De eerste groep heeft meer dan vijfduizend klanten, kan risico’s beter spreiden en beschikt vaak over oudere netten. De investering in een nieuw warmtenet is hoog en winst wordt vaak pas na vijftien jaar gehaald, zo blijkt ook uit de ACM-cijfers.

Nuon, Eneco en Ennatuurlijk zeggen in een reactie dat zij de komende jaren zullen investeren in nieuwe warmtenetten en duurzame warmtebronnen, zoals geothermie, wat de winsten zal doen dalen. Over de tarieven voor consumenten zeggen de bedrijven dat zij in 2019 al minder vroegen dan de maximumprijs en daar in 2020 ook naar streven.

Afbouw salderingsregeling: minimumprijs voor met zonnepanelen opgewekte stroom

Bron: Solar Magazine, 28 oktober 2019  https://solarmagazine.nl/nieuws-zonne-energie/i19770/afbouw-salderingsregeling-minimumprijs-voor-met-zonnepanelen-opgewekte-stroom

Minister Wiebes wil in de wet vastleggen dat zonnepaneeleigenaren vanaf 2023 voor een steeds groter deel van de met hun zonnepanelen opgewekte stroom een ‘redelijke vergoeding’ van hun energieleverancier krijgen.

De minister meldt aan de Tweede Kamer dat zonnepaneeleigenaren vanaf 2023 een gedeelte van de opgewekte zonnestroom nog steeds kunnen salderen en dat zij voor het andere deel een redelijke vergoeding van de energiebedrijven gaan ontvangen. De percentages van deze 2 delen moeten in de komende periode nog definitief vastgelegd worden. Momenteel is de hoogte en de berekening van de redelijke vergoeding niet in wetgeving geregeld en dat wil Wiebes nu wél wettelijk gaan regelen. 

Kleinverbruikersaansluiting
Bij de huidige salderingsregeling mag een zonnepaneeleigenaar met een kleinverbruikersaansluiting alle zelfopgewekte elektriciteit die hij teruglevert aan het energiebedrijf wegstrepen – oftewel salderen – tegen de afgenomen elektriciteit. Op die manier ontvangt de kleinverbruiker voor de ingevoede elektriciteit precies hetzelfde bedrag als voor de afgenomen elektriciteit. Als een kleinverbruiker in een bepaald jaar meer elektriciteit op het net invoedt dan hij afneemt, dan geldt dat de energieleverancier voor dit overschot aan de kleinverbruiker een redelijke vergoeding betaalt.

Afbouw vanaf 2023
​Minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat meldde de Tweede Kamer in april 2019 dat de salderingsregeling in zijn huidige vorm gehandhaafd blijft tot 2023. Tot 1 januari 2023 verandert er daarmee niets voor wie al zonnepanelen heeft, maar vanaf dat jaar wordt de regeling tot 2031 stapsgewijs afgebouwd naar 0. In een brief aan de Tweede Kamer heeft de minister nu nadere toelichting gegeven op de voorgenomen afbouw.

‘De afbouw wordt zodanig vormgegeven dat de invoeding van kleinverbruikers vanaf 1 januari 2023 niet langer volledig tegen hun afname van elektriciteit van het net wordt gesaldeerd’, schrijft minister Wiebes. ‘In plaats daarvan mag de kleinverbruiker een percentage van de elektriciteit die op het net wordt ingevoed salderen met de afname van het net op dezelfde aansluiting. Dit percentage wordt geleidelijk afgebouwd naar 0, per 1 januari 2031. Het afbouwpad wordt in het najaar van 2019 definitief vastgesteld op basis van de meest recente cijfers uit de Klimaat en Energieverkenning 2019. Ook voor diegenen die recent of tot 2021 in zonnepanelen investeren en hun investering op dit moment nog niet hebben terugverdiend, resulteert de verlenging van de huidige salderingsregeling tot 1 januari 2023 in combinatie met de afbouw van salderen vanaf 1 januari 2023 naar verwachting in een gemiddelde terugverdientijd van circa 7 jaar.’

Klein deel ontvangt nu al ‘redelijke vergoeding’
Slechts een klein deel van de kleinverbruikers dat vandaag de dag al door middel van zonnepanelen elektriciteit opwekt, voedt netto elektriciteit op het net in en wekt dus meer zonnestroom op dan zij verbruiken.

Voor kleinverbruikers die meer elektriciteit op het net invoeden dan zij afnemen, geldt op dit moment dat de leverancier op grond van artikel 31c, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 verplicht is om deze kleinverbruiker daarvoor een redelijke vergoeding te betalen.

Hoogte redelijke vergoeding wettelijk vastleggen
‘Door het afbouwen van de salderingsregeling zal met elk verstreken jaar het aandeel op het elektriciteitsnet ingevoede elektriciteit dat niet langer voor saldering in aanmerking komt groter worden’, schrijft Wiebes in zijn Kamerbrief. ‘Daarmee wordt dus ook het surplus aan ingevoede elektriciteit groter waarvoor een vergoeding van de leverancier wordt verkregen. Momenteel is de hoogte en berekening van de redelijke vergoeding niet in wetgeving geregeld. De Autoriteit Consument en Markt hanteert het beleid dat een redelijke vergoeding minimaal 70 procent van de APX-prijs (red. de APX is een beurs waar energie verhandeld wordt) van elektriciteit moet bedragen. Ik ben voornemens de wettelijke mogelijkheid te creëren in lagere regelgeving nadere regels te stellen over de hoogte of berekening van de redelijke vergoeding die energieleveranciers aan kleinverbruikers moeten betalen.’

Consument beschermen met ondergrens
Door het een en ander wettelijk vast te leggen, wordt het volgens Wiebes mogelijk consumenten te beschermen door bijvoorbeeld een ondergrens voor de leveranciersvergoeding vast te stellen die als een redelijk tarief voor de invoeding van elektriciteit op het net wordt aangemerkt. Wiebes hierover: ‘Deze ondergrens draagt er ook aan bij dat investeringen in bijvoorbeeld zonnepanelen door kleinverbruikers financieel interessant blijven. Op dit moment heeft een kleinverbruiker nog weinig mogelijkheden tot vraagsturing of lokale opslag achter de meter, maar deze mogelijkheden zullen naar verwachting richting 2031 toenemen. Daarom verwacht het kabinet dat er richting 2031 geleidelijk meer marktwerking in de tarieven voor ingevoede elektriciteit mogelijk zal zijn. Hierdoor krijgen de leveranciers de gelegenheid om concurrentiemodellen te ontwikkelen voor invoeding zonder dat dat voor grote schokeffecten zorgt in de consumententarieven en de businessmodellen voor investeringen in zonnepanelen.’

Door Edwin van Gastel, Marco de Jonge Baas