Auteursarchief: Energiefabriek 013

Zonnepanelen zijn nu al te recyclen

Bron: Solar Magazine, 14 oktober 2019 https://solarmagazine.nl/nieuws-zonne-energie/i19641/nationale-recycle-week-zonnepanelen-zijn-nu-al-te-recyclen

Zonnepanelen kunnen aan het einde van de levensduur nu al gerecycled worden. Dat stelt Jan-Willem Jehee van stichting Zonne-energie Recycling Nederland (ZRN), de stichting die de inzameling en recycling coördineert.

Zonnepanelen hebben een lange levensduur: ze gaan zo’n 30 jaar mee. Maar als een paneel toch eerder moet worden vervangen, is er een systeem voor inzameling en recycling. Recycling van defecte panelen is volgens stichting ZRN zeker de moeite waard. Materialen zoals glas, koper en aluminium kunnen namelijk eenvoudig worden teruggewonnen.

Heel Holland Recyclet
Het door stichting ZRN ontwikkelde systeem wordt nu vooral gebruikt om defecte zonnepanelen in te zamelen. Op dit moment wordt dat gebruikt voor zonnepanelen met transportschade, stormschade en heel af en toe een defect paneel dat onder de fabrieksgarantie valt.

‘Zo’n kapot zonnepaneel bij het grof vuil gooien is echt zonde’, stelt Jehee van Zonne-energie Recycling Nederland, de stichting die de inzameling en recycling coördineert. ‘Zonnepalen bevatten allerlei materialen die opnieuw te gebruiken zijn, zoals glas, koper en aluminium. Iedereen recyclet, en dat geldt dus ook voor zonnepanelen. Maar nog niet iedereen weet dat. Daarom doen we mee met het initiatief Heel Holland Recyclet (red. een campagne van de Nationale Recycle Week). Want ook inzameling en hergebruik van zonnepanelen is echt heel eenvoudig.’

Inzamelpunten
Consumenten kunnen heel gemakkelijk van hun kapotte zonnepanelen af. Net als bij bijvoorbeeld wasmachines of ijskasten geldt er voor een groothandel of importeur een wettelijke verplichting om zonnepanelen in te nemen en te verwerken. De installateur die een defect zonnepaneel vervangt, neemt het oude exemplaar mee en levert dit in bij een van de inzamelpunten van Zonne-energie Recycling Nederland (ZRN). Mensen die zelf een zonnepaneel vervangen, kunnen dat ook zonder kosten laten recyclen. Zij kunnen daarvoor terecht bij een van de inzamelpunten van ZRN of het zonnepaneel langsbrengen bij het afvalpunt of de milieustraat in hun gemeente. Dit werkt op dezelfde manier als bij ander elektrisch afval.

ZRN brengt de zonnepanelen vanuit de inzamelpunten naar een sorteercentrum. Daar sorteren medewerkers de afvalstroom in bakken met panelen, omvormers en kabels. Daarna zijn er diverse technieken om de materialen te scheiden en geschikt te maken voor hergebruik. Het glas komt bijvoorbeeld terug als glaswol voor isolatie. En door het koper en aluminium opnieuw te gebruiken, put men de voorraad van die schaarse metalen minder snel uit.

Bij bedrijven gaat het vaak om grotere aantallen zonnepanelen. Als die moeten worden vervangen, zorgt ZRN in samenspraak met de installateur voor inzameling op locatie van het bedrijf. Dat is gratis als de installateur, importeur of groothandel is aangesloten bij ZRN. Voor niet-deelnemers is inzameling ook mogelijk, maar dan worden er kosten doorberekend.

Door Els Stultiens 

Verzekeraars stoppen met vergoeden onzichtbare hagelschade aan zonnepanelen

Bron: Solar Magazine, 2 oktober 2019 https://solarmagazine.nl/nieuws-zonne-energie/i19508/verzekeraars-stoppen-met-vergoeden-onzichtbare-hagelschade-aan-zonnepanelen

Uit onderzoek van Solar Magazine blijkt dat een aantal grote verzekeraars besloten heeft om onzichtbare schade aan zonnepanelen – die ontstaat door hagelbuien – via woonhuisverzekeringen niet langer te vergoeden.

De extreme hagelbui in Zuidoost-Brabant veroorzaakte in de zomer van 2016 in een paar minuten tijd een schadepost van ruim een half miljard euro. Auto’s, kassen en daken, maar ook zonnepanelen werden vernield door hagelstenen zo groot als tennisballen. Door de inslag van hagelstenen kunnen haarscheurtjes in de zonnecellen ontstaan – zogenaamde microcracks – waardoor na een langere periode de stroomproductie van de zonnepanelen steeds verder afneemt. Bovendien kunnen er hotspots ontstaan die een oorzaak van brand kunnen zijn.

Polisvoorwaarden gewijzigd
Waar de eerste schademeldingen na de hagelbui van de zomer van 2016 door verzekeraars nog eenvoudig vergoed werden, klaagden diverse zonne-energiebedrijven bij de redactie van Solar Magazine over het toenemende aantal discussies bij het uitkeren van schade. De zonnepanelen met optische schade vergoedden verzekeraars wel, maar de zonnepanelen met onzichtbare schade werden onderwerp van discussie.

Nu, 3 jaar na dato, slaan een aantal van de betrokken verzekeringsmaatschappijen – in het bijzonder verzekeraars die in het door de extreme hagel getroffen gebied sterk vertegenwoordigd zijn – een andere weg in. Door een wijziging van de polisvoorwaarden zijn hun cliënten met een woonhuisverzekering niet langer verzekerd tegen de onzichtbare schade die bij zonnepanelen kan ontstaan na de impact van hagelstenen.

Interpolis stopt met vergoeden onzichtbare schade
​Uit onderzoek van de redactie van Solar Magazine blijkt dat 3 verzekeringsmaatschappijen die onder Achmea Groep vallen en een woonhuisverzekering aanbieden, de polisvoorwaarden hebben veranderd. Interpolis, Centraal Beheer en Avéro Achmea zijn allemaal gestopt met het vergoeden van onzichtbare schade aan zonnepanelen. FBTO, eveneens onderdeel van de Achmea Groep, laat telefonisch weten de niet-zichtbare schade door hagel wél te vergoeden.

Ron de Proost van installatiebedrijf PureSolar uit Valkenswaard spreekt schande van deze actie van de verzekeraars. Hij werd in de afgelopen periode door meerdere klanten op deze problematiek gewezen en besloot via Solar Magazine de pers te benaderen. ‘Het kan natuurlijk niet zo zijn dat verzekeraars op deze wijze klanten buitenspel proberen te zetten. Een schade is een schade, dat is bij een autoverzekering toch ook het geval? Voor een particulier is er maar 1 uitleg mogelijk: de zonnepanelen zijn verzekerd óf niet verzekerd.’

Door Edwin van Gastel 

Naturalis: ‘Goed ingericht zonnepark beter voor biodiversiteit dan landbouwgrond’

Bron: Solar Magazine 16 oktober 2019 https://solarmagazine.nl/nieuws-zonne-energie/i19677/naturalis-goed-ingericht-zonnepark-beter-voor-biodiversiteit-dan-landbouwgrond

Zonneparken zijn een geschikt woongebied voor planten en dieren en kunnen een grote biodiversiteit herbergen. Dat concludeert Naturalis Biodiversity Center na onderzoek bij het zonnepark van Shell Moerdijk.

Na het bestuderen van de flora en fauna op het 39 hectare groot zonnepark van het oliebedrijf, concluderen de wetenschappers dat het zonnepark zowel voor planten als dieren een goede habitat is. Dit maakt volgens Naturalis goed ingerichte zonneparken naast een bron van duurzame energie ook een veilige haven voor biodiversiteit.

Verschillende mengsels
Smartland landschapsarchitecten, bezig met ontwerpen van verschillende zonneparken, initieerde het onderzoek vanuit het besef van de grote kansen voor biodiversiteit. Engels onderzoek gaf al positieve signalen, maar een studie naar de kansen in het Nederlandse landschap ontbrak.

Gedurende het afgelopen jaar hebben daarop onderzoekers van Naturalis Biodiversity Center onder leiding van hoogleraar Koos Biesmeijer het nieuwe zonnepark op het terrein van Shell Moerdijk nauwkeurig bestudeerd. Het team van Naturalis en Smartland zaaide een aantal verschillende mengsels van verschillende planten in om een basis te leggen voor het jonge ecosysteem en te onderzoeken wat werkt voor de biodiversiteit.

Beter dan landbouwgrond
Nu concluderen de onderzoekers dat goed ingerichte zonneparken beter zijn voor de biodiversiteit dan de meeste landbouwgrond. Zo bieden ze een mix van zon en schaduw, worden paden nauwelijks bewandeld door mensen en zijn ze vrij van kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Dit geeft planten en insecten ruim spel. Hoogleraar Koos Biesmeijer is daarom positief over de mogelijkheden die zonneparken bieden om biodiversiteit in Nederland te stimuleren: ‘De energietransitie vraagt veel van ons en zonneparken vormen steeds meer onderdeel van ons landschap. Het is belangrijk om nu kennis te genereren waarmee zonneparken goed ingericht worden en kunnen bijdragen aan het herstel van de biodiversiteit.’

Bestuivers tussen de zonnepanelen
Onderzoeker Lisette van Kolfschoten over de soortenrijkdom die het team van Naturalis aantrof: ‘We hebben veel soorten bloemen en insecten op het terrein gezien, wat ons toch wel wat verraste. Bovendien staan er van de 34 soorten gevonden bijen 4 op de rode lijst van Nederland. Het Shell Moerdijk-terrein is dan ook relatief rijk aan biodiversiteit en het zonnepark lijkt geen beperking te zijn voor de insecten en planten.’

De schaduw van de zonnepanelen was volgens de onderzoekers nauwelijks een belemmering voor de plantengroei en de bestuivers, maar bood juist variatie in het landschap. Ook onder de zonnepanelen waren planten te vinden. De bestuivers waren echter vooral te vinden in de ruimten tussen de zonnepanelen, waar de zon scheen. Hoe dit zich vertaalt naar andere zonneparken hangt volgens Naturalis af van de inrichting van die parken.

Onderzoek doorzetten
Naturalis en Shell bekijken de mogelijkheden om het onderzoek naar biodiversiteit op zonneparken door te kunnen zetten, om ook de ontwikkeling over langere tijd te bekijken. Of dit onderzoek op Moerdijk of op een nog te bouwen zonnepark gaat plaatsvinden, is nog niet bekend. Bij monitoring over meerdere jaren kan onderzocht worden wat het totale effect van een zonnepark op de biodiversiteit is. Ook zouden de onderzoekers graag meer weten over de effectiviteit van verschillende zaaisels en de verschillen tussen Nederlandse bodemtypen en vooral ook over de invloed van de specifieke inrichting van de zonneparken op biodiversiteit.

Door Edwin van Gastel 

Verduurzamen van een vooroorlogse woning: wat is er mogelijk?

Bron: Vakblad Warmtepompen, 18 oktober 2019https://www.vakbladwarmtepompen.nl/sector/artikel/2019/10/verduurzamen-van-een-vooroorlogse-woning-wat-is-er-mogelijk-1015262

Geen enkele architectuurstijl kan qua populariteit tippen aan de stijl van de jaren 20 en 30. De glas-in-loodramen, hoge vertrekken, baksteenarchitectuur en statige uitstraling spreken een breed publiek aan. Het zijn woningen die we willen behouden, maar tegelijk is het een zware klus om ze geschikt te maken voor de toepassing van een warmtepomp met laagtemperatuur-verwarming. Dat is althans de mening van Hubert-Jan Busch, passiefhuisspecialist bij Sto. In dit artikel analyseert hij de mogelijkheden voor verduurzaming van dit type woningen.

Rc-waarde van de gevel

“Misschien moet je je afvragen of bij dit soort huizen een warmtepomp überhaupt wenselijk is”, begint Busch. “Pas in 1960 werden in het Bouwbesluit spouwmuren als verplichting opgenomen. Dat betekent dat er voor die tijd ook veel steensmuren zijn opgetrokken. En zelfs als er een spouwmuur aanwezig is, dan bedraagt de Rc-waarde van de gevel meestal minder dan 1 (m²K/W).” Om effectief te verwarmen met lage temperaturen, is een minimale Rc-waarde van 3,5 voor zowel de gevel als het dak wenselijk. “Dat is bij veel vooroorlogse woningen niet haalbaar, de investering is dan buitenproportioneel groot”, vertelt Busch.

‘Grote winst door isoleren’

“Bovendien rijst de vraag of je van een Traction Avant wel een Tesla wilt maken”, vervolgt hij. “Technisch kan er veel, door de woningen te voorzien van een nieuw dak en buiten-gevelisolatie. Maar vaak zijn deze huizen een beschermde stads- of dorpsgezicht, waardoor van binnenuit isoleren de enige mogelijkheid is.” Betekent dat ook dat bewoners isoleren beter achterwege kunnen laten? “Nee, geenszins. Ik denk juist dat hier grote winst is te halen door te isoleren. En dan doel ik niet alleen winst op de energierekening, ook het comfort wordt beter.”

Warmteverlies bij het dak

Bij het isoleren van woningen kijkt Busch eerst naar boven. “Bij het dak treedt het meeste warmteverlies op. Veertig procent van het transmissieverlies (warmteverlies dat optreedt door een temperatuurverschil aan beide kanten van de constructie, -red.) gaat via het dak. Dit komt omdat warmte stijgt. De gevel verliest ondanks het grotere oppervlak minder warmte, dat is ongeveer dertig procent. Daarom raad ik altijd aan om eerst naar het dak te kijken.”

Van binnenuit isoleren

In de jaren 20 en 30 werd geen dakisolatie toegepast, en iedere vorm van isolatie is dus winst. “Door van binnenuit te isoleren is, mits de vliering/zolder minimaal stahoogte heeft, een Rc-waarde van 3,5 haalbaar. Door daarnaast de vloer tussen de slaapverdieping en de zolder mee te nemen, voorkom je bovendien extra warmtelekken. Waar ik echter wel op wil wijzen, is dat je op de kierdichting moet letten. Als er sneeuw ligt, ziet iedereen precies waar ik op doel; er ontstaat dan een raster op het dak. Daardoor is goed zichtbaar waar de warmte ontsnapt, dat is meestal naast de balken.” Een ander punt van aandacht bij het isoleren van de zolder is de ventilatie, stelt Busch. “Om condensvorming te voorkomen, moet de zolder, al is hij niet gedefinieerd als verblijfsruimte in het Bouwbesluit, worden geventileerd.”

Beperkte winst via spouwmuur

Om in de gevel eenzelfde Rc-waarde (3,5 m2K/W) te halen, is lastiger. “Als er een spouw is, biedt dat mogelijkheden.” Er is een handige methode om erachter te komen of dat het geval is. Is de dikte van de muur bij de deuropening dikker dan 25 cm, dan is er meestal een spouw aanwezig. Bij minder dan 25 cm is er geen spouw of hij is zo dun dat spouwmuurisolatie geen zin heeft. “Daarnaast behaal je met spouwmuurisolatie slechts beperkte winst”, legt Busch uit. “In de spouw zijn vaak spouwankers, cementresten, spinnenwebben en andere zaken aanwezig. Dat betekent dat er (warmte)lekkage optreedt.”

 ‘Buitengevel-isolatie het meest effectief’

Een andere optie is om te kiezen voor binnenmuurisolatie, stelt Busch. “En dan bij voorkeur met gebruik van harde materialen (pir/pur/resol) omdat de isolatiewaarden hiervan groter zijn dan van wolachtigen.” Ook hier zitten echter beperkingen aan. Een nadeel is dat het altijd ten koste gaat van de binnenruimte. Als bewoners de wens hebben om op lage temperaturen hun huis te verwarmen, moeten dikke pakken isolatiemateriaal worden aangebracht. Buitengevelisolatie is het meest effectief, maar het is de vraag of de welstandstandcommissie daar toestemming voor geeft.

Opties voor glas en kozijnen

Voor het glas en de kozijnen zijn tegenwoordig mooie oplossingen op de markt: glas-in-lood in dubbelglas, dubbelglas met monumentenglas, en thermisch onderbroken kozijnen in staal, aluminium en hout. “Als de kozijnen sterk genoeg zijn, is het bovendien redelijk eenvoudig om enkelglas te vervangen door HR++-glas”, aldus Busch.

Vloerisolatie aan de onderzijde

Tot slot is de vloer een punt van aandacht, zelfs al bedraagt het warmteverlies via de vloer slechts 6 tot 8 procent. “Als er een kruipruimte aanwezig is, is isolatie aan de onderzijde aan te raden. Mede omdat de vloer behoorlijk verhoogd wordt door op de dekvloer een isolatielaag en vloerverwarming aan te leggen. Daarbij kom je in de knel met de deurhoogtes. Bovendien willen de meeste bewoners de mooie authentieke granieten vloer blijven zien. Om die iets comfortabeler aan te laten voelen, is het isoleren van de kruipruimte de enige optie.”

Tekst: Katja van Roosmalen

Mogelijkheden voor een warmtepomp in woningen uit de periode 1960 – 1990

Bron: Vakblad Warmtepompen, 30 oktober 2019 https://www.vakbladwarmtepompen.nl/techniek/artikel/2019/10/mogelijkheden-voor-een-warmtepomp-in-woningen-uit-de-periode-1960-1990-1015267?vakmedianet-approve-cookies=1&_ga=2.124789642.1604648719.1575031349-600415868.1575031349

Ruim een derde van de Nederlandse woningen is gebouwd in de jaren 60 en 70, en bijna 30 procent in de jaren 80 en 90. Daarmee vertegenwoordigen deze huizen meer dan de helft van de huidige woningvoorraad. Kenmerkend voor woningen die tussen de jaren 60 en 90 zijn gebouwd, is dat ze zijn ontwikkeld vanuit een ‘wijkgedachte’. Dat verklaart het repeterende karakter, zowel qua uiterlijk als indeling. Die ‘herhaling’ biedt goede mogelijkheden om deze woningen grootschalig te verduurzamen. Vooral bij woningbouwcorporaties gebeurt dat nu, en wel in rap tempo, aldus Busch.

Bijgestelde minimumeis isolatie

“Sinds 1960 staat in het Bouwbesluit dat woningen een spouw moeten hebben”, legt Busch uit. “Maar dat betekent niet dat de isolatiewaarden erg hoog zijn. Om een idee te geven: in 1965 bedroeg de minimumisolatie-eis voor het dak Rc 0,86 m²K/W, voor de gevel Rc 0,43 en voor de vloer 0,17. Langzaam werden deze eisen strenger. In 1982 was de minimumeis voor het dak, de gevel en de vloer Rc 1,3. Maar pas in 1992 werd de eis fors bijgesteld, naar Rc 2,5.” Dat betekent volgens Busch dat voor woningen die in de jaren 60, 70 en 80 zijn gebouwd spouwmuurisolatie alleen niet genoeg is om de gewenste Rc-waarde van 3,5 te halen. “Door de spouwdikte is de Rc-winst die behaald kan worden met spouwmuurisolatie minimaal. ISSO heeft berekend dat als op dit moment een lege spouw gevuld wordt met 60 of 70 mm Airpop, Rc 1,86 de maximaal haalbare waarde voor de gevel is. Daarnaast moet je ook bij deze woningen goed op de kierdichting letten.”

 ‘Rc-waarden zijn niet heilig’

Dat laatste is de reden waarom woningbouwcorporaties vaak liever voor een volledige schilrenovatie kiezen waarbij ze de isolatiewaarden aanhouden van het huidige Bouwbesluit: voor de gevel Rc 4,5 en voor daken Rc 6,0. “Daar wil ik echter wel een kanttekening bij plaatsen”, zegt Busch. “Rc-waarden zijn niet heilig. Ik denk dat een woning met een Rc-waarde van 3 voor de gevel en een Rc-waarde van 3,5 voor het dak, aangevuld met balansventilatie, beter is voor de efficiency van een warmtepomp, dan een woning die voldoet aan de huidige nieuwbouweisen maar is uitgerust met mechanische ventilatie (systeem C, -red.) waardoor alle isolatiemaatregelen teniet worden gedaan door de gaten in de gevel.”

Van boven naar beneden

Ook voor woningen uit de jaren 60, 70 en 80 geldt dat bij het verduurzamen van boven naar beneden wordt gekeken, omdat via het dak de meeste warmte verloren gaat (40 procent transmissieverlies). “De eerste stap is om het dak te vervangen door een dak met een Rc-waarde van 6,0.” Een punt van aandacht is daarbij dat rekening moet worden gehouden met de welstandscommissie. Niet alleen zal de gemeente een mening hebben over de hogere nok. Als maar één woning in een rij een nieuw dak krijgt, kan de eigenaar ervan dat zien als de kers op de taart, maar veel buren zullen het een dissonant vinden. Hou daarnaast rekening met grotere overstekken en de nieuwe aansluitingen op de gevel, zodat later eventueel buitengevelisolatie kan worden aangebracht.”

Isolatie van de buitengevel

Voor die gevel geldt dat vaak al maatregelen zijn getroffen. Ook in de jaren 90 was spouwmuurisolatie namelijk populair. “Het voordeel is dat daardoor de buitenmuurisolatie niet zo dik hoeft te zijn. Je mag de isolatiewaarden namelijk bij elkaar optellen”, legt Busch uit. Daarnaast merkt hij dat welstandscommissies meestal welwillend staan tegenover buitengevelisolatie. “De repeterende woningbouw heet in de volksmond ‘eenheidsworst’, en veel wijken snakken naar meer identiteit. De gevel aan de buitenzijde isoleren biedt technische kansen, bijvoorbeeld om een warmtepomp te plaatsen, maar het maakt het ook mogelijk de wijk een nieuw straatbeeld te geven en van een sociale facelift te voorzien.”

Spijtvrije oplossingen?

Tegenwoordig wordt veel gesproken over ‘no-regretmaatregelen’ en ‘spijtvrije oplossingen’. De vraag aan Busch is wat hij ziet als de meest effectieve manieren om woningen te verduurzamen. “Voor mij is de Trias Energetica leidend. Stap één is het beperken van het energieverbruik. Dat doe je door primair de schil aan te pakken, dus dakisolatie, (buiten)gevelisolatie en glas, in combinatie met kierdichting. Bovendien werkt die aanpak comfortverhogend. Houd daarbij ook rekening met de ventilatie. Balansventilatie of een decentrale ventilatie-unit met WTW zijn de beste oplossingen. Ook vloerverwarming zie ik als een spijtvrije oplossing, omdat het zowel met een modulerende CV-ketel als met een warmtepomp kan functioneren.”

Isolatie bij vloerverwarming

Een punt om rekening mee te houden bij vloerverwarming is de isolatie, die bij droge opbouwsystemen vaak minimaal 10 centimeter bedraagt. “Ik ben een fervent voorstander van vloerverwarming, maar besef wel dat de installatie ervan in bestaande bouw best een aardige operatie kan zijn. Een mogelijke overweging is om te kiezen voor andere LTV-afgiftesystemen, in combinatie met decentrale ventilatieoplossingen of decentrale warmtepompen met ventilatie.”

Kosten en subsidies

Omdat de grootste uitdaging de komende jaren zal zijn om particulieren aan te sporen hun huis te verduurzamen, vragen we Busch naar de kosten om een twee-onder-een-kapwoning van tussen 1960 en 1990 energetisch toekomstbestendig te maken. “Die kosten zijn moeilijk aan te geven in de huidige markt, omdat grondstoffen en arbeid snel in prijs stijgen. Ruwweg schat ik in dat het toekomstbestendig isoleren van een twee-onder-een-kap tussen de 30.000 en 40.000 euro kost. Dat is inclusief buitengevelisolatie, nieuw glas, en kozijnen en een vernieuwd dak. De kosten voor het ventilatiesysteem en de warmtepomp moeten hier nog bij worden opgeteld.”
Wie hiervoor kiest, kan echter wel gebruikmaken van een subsidieregeling. Voor buitengevelisolatie bedraagt de tegemoetkoming 25 euro per m². Voor zaken als HR++, triple glas, advies en andere maatregelen kunnen particulieren vanaf 2 september 2019 gebruikmaken van de subsidieregeling energiebesparing eigen huis (SEEH).

Tekst: Katja van Roosmalen